Achtergrond

30 mei 2014

Gameverslaafde Simon: ‘Ik vluchtte in het gamen’

Gameverslaafden worden steeds jonger, zo blijkt uit gegevens van verslavingsklinieken. Simon Kroeske was verslaafd. Hij gamede zo’n acht uur per dag.

‘Ik was een gesloten geest. Een egoïstisch ventje. Ik vond het niet belangrijk wat anderen vonden.’ Losjes zittend op de bank van de zonnige huiskamer in Bedum beschrijft Simon Kroeske (23) zichzelf toen hij 17 was. ‘Ik was geestelijk een jaar of dertien. Ik wilde niet nadenken en reageerde kinderlijk.’ In die tijd was hij volop aan het gamen. ‘Naast mijn werk gamede ik zo’n acht uur per dag. “Heb je wel geslapen vannacht?”, vroegen mijn collega’s. “Ja hoor”, en daarna zei ik er zo weinig mogelijk over.’

Simon wilde niet zien dat hij een probleem had. ‘Ik vluchtte weg voor alle negatieve gevoelens, voor positieve gevoelens, voor alle gevoelens. Op het moment zelf hielp dat, maar later kwamen de gevoelens harder terug.’ Het begon met het spelen van racespellen, later werden het ook strategiespellen en shooters als Fallout, Assassins Creed en Mass Effect.

vrienden

Vanaf zijn dertiende werd gamen steeds belangrijker voor Simon. Zijn hobby volleybal liep mis en dus vulde hij de tijd in met gamen. De computerspellen werden belangrijker dan zijn vrienden. Zo raakte hij vrienden kwijt. Hij slikt en praat met zachtere stem over de moeilijkere zaken. Zijn biologische vader, die hij niet veel zag, overleed aan kanker.

Hij werd gepest op de basisschool. Simon begreep de wereld en de mensen vaak niet. Hij sloot zich af. ‘Ik kon intens verdrietig worden van slechte dingen in de maatschappij. Als ik emotie voelde, sprong ik achter de pc. Op het laatst kon ik bijna geen emotie meer voelen.’

griezelig herkenbaar

Zijn ouders zagen wel dat Simon een probleem had, maar dat wilde hij niet toegeven. ‘Ik zag ook niet in dat ik allerlei excuses gebruikte om te gaan gamen. Uiteindelijk heb ik toegegeven dat ik een klein probleem had, wat ik misschien met een beetje hulp moest oplossen.’ Via een advertentie bestelde Simons moeder een informatiepakket van verslavingskliniek Solutions uit Voorthuizen.

‘Wat ik daar las, was griezelig herkenbaar.’ Na de intake op dinsdag kon de therapie meteen op vrijdag beginnen. Dat leverde Simon ontslag op, omdat zijn baas het niet nodig vond. Eerst verbleef hij een maand in Voorthuizen, daarna koos hij ervoor om nog twee maanden een goedkopere behandeling in Zuid-Afrika te volgen. ‘Bij aankomst daar dacht ik heel sterk: wat doe ik hier? Het heeft geen zin. Dat is dan de verslaving. Die is bang dat hij stukgaat.’

vechten of doodgaan

Maar Simon had vrij gauw door: het is vechten of doodgaan. Van een gameverslaving ga je niet letterlijk dood, maar het gedragspatroon doodt wel je plezier in het leven. ‘Anders was ik nog aan het gamen, of depressief voor een trein gesprongen.’

De therapie was stevig. De begeleiders prikten door de maskers en muren heen die hij had opgebouwd. Zijn gevoelens kon hij niet meer ‘weg’ gamen en hij raakte zwaar in de put. ‘Ik heb zitten janken als een klein kind’, zegt hij met een kleine glimlach. ‘Dat was eerst zwaar balen. Daarna ging het beter. Toen begon ik te groeien.’

De eerste stap van de therapie is dat je toegeeft dat je machteloos bent. En dat je het probleem niet alleen kunt oplossen, maar dat je je moet laten helpen door een liefhebbende hogere macht. ‘Mijn verslaving zit in mijn hoofd. Als ik in discussie ga, dan win ik niet’, legt Simon uit. ‘Het lijkt op het gevoel dat je iets moois wilt hebben, maar je kunt het niet betalen. De aandrang blijft, totdat je het loslaat. Dat doe ik nu dus ook. Ik laat het over aan God, dan kan ik de aandrang loslaten.’

eng

Na terugkomst uit Zuid-Afrika is het nog een hele strijd geweest: ‘Ik was mijn baan kwijt, ik had geen hobby’s en geen vrienden. Gamen was geen optie meer.’ Tweewekelijks gaat hij naar een verslaafdengroep om te praten. ‘Daar heb ik veel steun aan. Daar mag je alles delen.’

Ook doet hij nu aan jiu jitsu. Een oude vriend belde hem op: ‘Kom een keer langs’. ‘Ik vond mensen nog steeds eng. Het heeft een maand of vier geduurd voor ik op het sociale vlak wat zekerder was.’ Na een tijdje telecallwerk, kreeg hij toch weer een baan in een drukkerij en inmiddels staat zijn zilvergrijze auto naast die van zijn ouders op de parkeerplaats.

ouders

Tijdens de therapie voelde Simon zich erg gesteund door zijn ouders. Ze wilden helpen, ook al konden ze dat niet. Steun van God voelde hij niet. ‘In de kliniek kreeg ik bidden niet voor elkaar. Later ben ik gaan zien dat God mij helpt door toevallige dingen.’ Simon heeft leren vertrouwen dat het goed komt als hij de hogere macht, zoals hij God het liefst noemt, zijn leven laat leiden. ‘Hij wil voor mij zorgen. Dan hoef ik niet over alles krampachtig de controle te houden. Ik mag God vragen of Hij mij meer begrip geeft voor de wereld om mij heen. En of ik het mag loslaten als er geen begrip is. Dat doet Hij elke keer weer en dat geeft veel rust.’

auteur: Marieke Westerterp

Dit artikel is eerder verschenen op www.nd.nl.